Van 24 t/m 29 april kwamen in Santa Marta, Colombia, 57 landen bijeen op de Eerste Conferentie over de Afbouw van Fossiele Brandstoffen. Nederland was co-host van de conferentie, samen met Colombia. De conferentie was een mijlpaal. Waar de jaarlijkse VN klimaatconferenties al 30 jaar falen om de grondoorzaken van de klimaatcrisis te benoemen en aan te pakken, had deze conferentie juist dat als doel.
Tijdens de conferentie benadrukte de internationale vakbeweging dat een overgang weg van fossiele brandstoffen, zoals recent besproken in Santa Marta, alleen mogelijk is op basis van een rechtvaardige transitie (Just Transition). Dit vergt verregaande veranderingen, waarbij wordt voorkomen dat de kosten van de klimaatcrisis worden afgewenteld op werknemers. Ook mag de overgang de kloof tussen het mondiale Noorden en Zuiden niet verder vergroten.
Internationale afspraken zullen stevig moeten worden hervormd. Vakbonden pleiten daarom onder meer voor een bindend wereldwijd verdrag, waarbij de ILO principes op een rechtvaardige transitie worden nageleefd. Dit zou onderdeel moeten zijn van een verdrag dat zich bekommert over het afbouwen van de productie van fossiele brandstoffen.
Een belangrijk struikelblok daarbij is volgens hen het huidige systeem van investeringsbescherming (ISDS), waarbij bedrijven via internationale arbitrage staten kunnen aanklagen.
Dat zelfs de Europese Unie zich terugtrekt uit verdragen zoals het ECT vanwege deze regels, zien vakbonden als bevestiging van hun kritiek. Overheden moeten volgens hen vrij zijn om de energietransitie vorm te geven, waarbij alle rechthebbenden gehoord moeten worden, zonder dreiging van bedrijven.
Tijdens de conferentie wisten vakbonden het onderwerp ISDS meerdere keren op de agenda te krijgen. Ook werd aangekondigd dat het Centre for Economic Research and Policy ( CEPR) betrokken zal zijn bij vervolgwerk van de conferentie rond economische afhankelijkheid en begrotingsbeleid. De verwachting is dat de kritische discussie over investeringsbescherming daardoor een prominente rol blijft spelen.
Vakbonden benadrukken dat internationale samenwerking hierbij essentieel is. Geen enkel land kan volgens hen alleen op tegen de macht van multinationals en de mondiale energiemarkt. Een rechtvaardige transitie vraagt bovendien om een inclusieve benadering, met aandacht voor gendergelijkheid, erkenning van zorgarbeid en volledige naleving van fundamentele arbeidsrechten. Daarbij hoort ook respect voor de rechten van inheemse volkeren, inclusief hun recht op vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming.
Vakbonden pleiten voor een centrale rol van de publieke sector. Energie is een publiek goed en een mensenrecht, en niet een handelswaar waar bedrijven winst uit halen. Dat betekent meer publieke zeggenschap, democratisch beheer en ruimte voor lokale, gemeenschapsgerichte initiatieven.
De grootste genoemde zorgen vanuit de vakbonden zijn de angst voor baan- en inkomensverlies, afwezigheid van sociale zekerheid en onduidelijkheden over re/upskilling van werkers. De afwezigheid van bepaalde bonden en/of Global Union Federations op de conferentie gaf tevens een signaal af, nl dat niet elke bond achter het afbouwen van de productie van fossiele brandstoffen staat, juist vanwege eerdergenoemde angsten en onduidelijkheden.