Het gerechtshof heeft vandaag geoordeeld dat in de door vakbond FNV aangespannen collectieve procedure niet kan worden vastgesteld dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Volgens het Hof zijn de verschillen tussen chauffeurs te groot om daarover een algemeen oordeel te geven. Het Hof sluit zeker niet uit dat er wel sprake kan zijn van werknemerschap, maar stelt dat dit individueel moet worden vastgesteld.
De FNV is teleurgesteld over de uitkomst, maar ziet dit nadrukkelijk niet als het einde van de strijd. De FNV had verwacht dat het Hof in ieder geval chauffeurs die exclusief voor Uber werken als werknemers zou aanmerken. De vakbond blijft ervan overtuigd dat Uber-chauffeurs werknemers zijn en recht hebben op bescherming. Amrit Sewgobind, bestuurder FNV Flex: ‘Dit is geen nee tegen chauffeurs, maar een juridisch obstakel. De rechter zegt niet dat alle chauffeurs zelfstandig zijn. Dat verschil is cruciaal.’
Omdat de zaak collectief is aangespannen, heeft het Hof geoordeeld dat er geen algemene uitspraak gedaan kan worden over de positie van alle chauffeurs. De uitspraak van het Hof zorgt volgens de FNV voor onvoldoende bescherming van collectieve belangen voor de chauffeurs. Dit houdt feitelijk in dat Uber schijn zelfstandigen aan het werk kan houden. Op die manier wordt het sociale stelsel ondermijnd en is er sprake van oneerlijke concurrentie. Het is nu dus uitdrukkelijk ook de taak van de Belastingdienst om bij Uber te gaan handhaven.
Vakbonden moeten voor alle werkenden en voor hun leden ook op collectief niveau de geldende wetten en cao’s kunnen handhaven. De FNV zal daarom ook de mogelijkheid van cassatie tegen de uitspraak van het Hof onderzoeken. Daarnaast zal FNV de mogelijkheid bekijken van het opstarten van procedures voor individuele chauffeurs.
De FNV blijft strijden voor eerlijke arbeidsvoorwaarden, inclusief loon bij ziekte, duidelijkheid over werktijd en toepassing van de cao. Sewgobind: ‘De strijd is nog niet gestreden. Wij blijven aan de kant van de werkenden in dit land staan, in de rechtszaal én in Den Haag.’