Cookies op websites van de FNV

De FNV gebruikt functionele en analytische cookies die noodzakelijk zijn om de websites zo goed mogelijk te laten functioneren. Deze cookies gebruiken geen persoonsgegevens en hier is geen toestemming voor nodig. Daarnaast maken we gebruik van marketing cookies om de website op jouw voorkeuren af te stemmen. Hiervoor kun je onderstaand toestemming geven. Je kunt je instellingen altijd weer wijzigen op de pagina over de cookies.

Functionele & analytische cookies: Cookies die nodig zijn om te zorgen dat de website naar behoren werkt en om analyse uit te voeren

Marketing cookies

:

Deze cookies gebruiken we om de website op jouw voorkeur af te stemmen.

FAQ over het nieuwe pensioenstelsel

Veel gestelde vragen over het nieuwe pensioenstelsel en de antwoorden.

Het stelsel heeft decennia lang goed gefunctioneerd, maar in de huidige maatschappelijke en economische omstandigheden is het vastgelopen. De lage rente is een belangrijk element. Het gevolg is dat al meer dan tien jaar lang het overgrote deel van de pensioenfondsen het pensioen niet kan indexeren in samenhang met de inflatie. De opbouwpercentages zijn verlaagd en de pensioenambitie van 80 procent van het gemiddeld verdiende loon in ongeveer 42 jaar is uit het zicht verdwenen. Daarnaast zien we dat steeds meer mensen werken maar geen pensioen opbouwen (denk aan de zzp’ers).

Het draagvlak voor de aanvullende pensioenen wordt bedreigd door de aanhoudende discussies tussen de generaties over de vermogens in de pensioenfondsen. Het pensioen is als gevolg van de toegenomen vergrijzing en ontgroening een dure arbeidsvoorwaarde geworden. Kortom er zijn meerdere reden om ons stelsel te hervormen. Het nieuwe pensioenstelsel sluit beter aan bij deze tijd en de economische situatie. In tegenstelling tot de huidige wet- en regelgeving wordt erkend dat er moet worden belegd met het pensioenvermogen om het te kunnen laten groeien. En dat dit niet kan zonder risico’s te nemen, maar dat die risico’s acceptabel zijn omdat ze met het collectief kunnen worden gedeeld. Dat betekent geen belofte van zekerheid, maar wel een grotere kans op verhoging van de pensioenen.

De kern van het Nederlandse pensioenstelsel is dat iedereen via premies en beleggingen zijn eigen pensioenkapitaal bij elkaar spaart. We hebben in Nederland wetten en regels die tot doel hebben om pensioenkapitaal en het uit te betalen pensioen veilig te stellen. Om die reden moet het opgebouwde pensioenkapitaal bij pensioenuitvoerders zoals pensioenfondsen en verzekeraars worden ondergebracht. Deze pensioenuitvoerders staan onder streng toezicht van De Nederlandse Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Het beleggen van de premies is een belangrijk onderdeel van het pensioen. Uiteindelijk bestaat maar ongeveer een derde deel van het ouderdomspensioen uit premies. De rest van het pensioen bestaat uit rendement op beleggingen van de ingelegde premies. Dat het pensioen in het recente verleden in een enkel geval verlaagd is, betekent dus ook niet dat er minder pensioen is dan er aan premie is ingelegd of dat het pensioen ‘op’ kan raken. Het betekent alleen dat er een klein beetje van het pensioen af gaat, omdat er teveel is toegezegd op basis van rekenmodellen. Bijvoorbeeld omdat iedereen ouder wordt dan ingeschat, de zogenaamde hogere gemiddelde levensverwachting, of omdat rente lager is dan in rekenmodel was opgenomen.  

Omdat het een goed pensioenakkoord is en FNV veel van zijn doelen op het terrein van de pensioenen bereikt. Die doelen en uitgangspunten zijn samen met de leden van FNV tot stand gekomen en vastgelegd in het document 'Samen Delen, een sterke keuze'. Dit document met de visie van de FNV op het pensioenstelsel is in 2016 tot stand gekomen na 70 bijeenkomsten en raadpleging van 7000 leden en niet-leden. In dat document zijn de volgende uitgangspunten vastgelegd:

  • Een goede, geïndexeerde 2e pijler van pensioen voor iedere werkende en pensioengerechtigde;
  • Kapitaal gedekt naast de omslag gefinancierde AOW;
  • Geen pech- en gelukgeneraties;
  • Solidair binnen en tussen generaties, voor een beter resultaat;
  • Collectief en verplicht, voor lage kosten en het optimale resultaat;
  • Een stabiel levenslang pensioen;
  • Met een stabiele premie;
  • Met keuzemogelijkheden, binnen bepaalde grenzen;
  • Risicodeling tussen werknemers en werkgevers;
  • Duidelijke communicatie over verwachtingen en risico’s.

Het pensioenakkoord voldoet goed aan al deze uitgangspunten. Bovendien is bij de onderhandelingen over het Pensioenakkoord ingezet op eerder stoppen met werken en pensioen voor alle werkenden. Ook op deze twee punten is resultaat bereikt. Het principeakkoord is in juni 2019 in een referendum aan de leden voorgelegd. Het Ledenparlement heeft na de positieve uitslag van het referendum op 15 juni 2019 ingestemd met het pensioenakkoord. Op 4 juli 2020 heeft het Ledenparlement vervolgens ingestemd met de technische uitwerking van de afspraken in het pensioenakkoord.

De term ‘indexeren’ komt niet meer terug in het nieuwe pensioenstelsel, omdat die term hoort bij het verhogen van de toezegging aan de hand van de prijsstijging. In het nieuwe pensioenstelsel wordt niet de toezegging maar, wanneer het beleggingsrendement positief is, het persoonlijk pensioenvermogen zelf verhoogd. Dat wordt dus geen indexeren genoemd, maar leidt tot hetzelfde resultaat: een pensioen dat zoveel mogelijk meestijgt met de prijzen. Bovendien geldt de prijsstijging niet meer als maximale verhoging, zodat er dus bij positieve beleggingsresultaten met méér dan de prijsstijging mag worden verhoogd. De FNV wenst een pensioenregeling die leidt tot een stabiel pensioen dat regelmatig wordt verhoogd. Anders dan nu het geval is zal het pensioen dus meebewegen met de economie. Het zal waarschijnlijk regelmatig worden verhoogd en af en toe verlaagd. Als er een positief rendement is dan wordt dat eerder doorgegeven aan de deelnemers en gepensioneerden, en verdwijnt er minder dan nu in een buffer. De keerzijde is dat als er een tegenvaller is, dat ook eerder wordt gevoeld door de deelnemers en gepensioneerden. Omdat gepensioneerden verhogingen maar ook verlagingen meteen in hun portemonnee voelen worden de schommelingen voor hen gespreid over de tijd zodat het pensioen niet te hard wordt verlaagd of verhoogd.

De achterstand van de indexatie verschilt per pensioenfonds. Onder de huidige regels geldt dat de dekkingsgraad van een fonds hoog moet zijn voordat er inhaalindexatie kan worden gegeven. Voor het zover is, zullen de dekkingsgraden van de pensioenfondsen fors moeten stijgen. Bij het omzetten van de bestaande aanspraken en de huidige pensioenen naar persoonlijke pensioenvermogens in het nieuwe stelsel zal ook worden gekeken naar die achterstand. Die omzetting moet voor iedereen op een eerlijke en evenwichtige wijze gebeuren waarbij met de belangen van alle deelnemers rekening wordt gehouden. Het is realistisch om aan te nemen dat bij veel fondsen de achterstallige indexatie maar ten dele of geheel niet zal worden ingehaald. Dat is afhankelijk van de uitgangssituatie bij de transitie en de rendementen die daarna worden gemaakt.

Met invaren wordt bedoeld dat reeds opgebouwde pensioenaanspraken en de huidige pensioenen (die nu dus worden uitgekeerd) ook onder het nieuwe stelsel worden gebracht en omgezet in een persoonlijk pensioenvermogen (dat nog steeds collectief wordt belegd). Dat invaren is wenselijk en nodig omdat anders de huidige pensioenen onder het nu geldende wettelijke regime blijven vallen. Dat zou voor veel deelnemers niet of nauwelijks uitzicht op indexatie betekenen en voor grote groepen deelnemers verlaging van hun pensioen of pensioenaanspraken. Immers, er is nu al enige jaren achter elkaar een uitzonderingsmaatregel op de wettelijke voorschriften voor verlagingen afgekondigd. Dat kan omdat ervan uit wordt gegaan dat er wordt overgestapt op het nieuwe stelsel. Vindt die overstap (dat invaren) niet plaats, dan gaan gewoon weer de geldende regels voor verlagen gelden.

Bij het invaren van de reeds opgebouwde aanspraken worden die aanspraken omgezet in persoonlijke pensioenvermogens voor de deelnemers. Die pensioenvermogens worden vanaf dat moment aangevuld met de premie en de rendementen die worden gemaakt. Bij het invaren van pensioenen die nu worden uitgekeerd, worden de nog uit te keren pensioenen omgezet in een persoonlijk pensioenvermogen. Vanuit dat pensioenvermogen wordt dan voortaan het pensioen uitbetaald.

Omdat dat pensioenvermogen ieder jaar wordt aangevuld met het rendement dat wordt gemaakt kan het pensioen ook ieder jaar worden aangepast aan die aanvulling in dat persoonlijk pensioenvermogen. Het kan natuurlijk ook wel eens gebeuren dat er sprake is van een tegenvaller en dat er dan geen rendement bij komt of er zelf iets af gaat van dat persoonlijk pensioenvermogen. Dan wordt het pensioen iets verlaagd. Het is van groot belang om je te realiseren dat het pensioen een levenslang pensioen is en dat het persoonlijk pensioenvermogen dus nooit op kan raken. Dat klinkt een beetje als tovenarij maar dat is het niet. Ook in het huidige stelsel heeft iedereen een levenslang pensioen. Dat kan nu en straks omdat we dat "risico op langer leven” met iedereen in het fonds delen.

Een belangrijke regel bij invaren is dat het op een evenwichtige wijze moet gebeuren waarbij met ieders belangen rekening moet worden gehouden. Het streven is dat voor iedereen het pensioen na invaren minimaal gelijk is aan het pensioen voor invaren. Bij fondsen met een hele lage dekkingsgraad is dat misschien niet haalbaar.

In de wet staat nu dat een individuele deelnemer bezwaar kan maken tegen het omzetten van zijn pensioenaanspraken naar een andere regeling binnen het fonds. Het invaren is ook zo’n omzetting. Daar kan dus, als de wet niet wordt gewijzigd, door ieder individu bezwaar tegen worden gemaakt. Het kabinet is voornemens dat individuele bezwaarrecht in het geval van invaren uit de wet te halen. Er zijn meerdere redenen waarom het individueel bezwaarrecht bij het invaren volgens FNV geen goede zaak is. De pensioenfondsen zijn niets anders dan grote collectiviteiten waarin alle deelnemers, actieven, slapers en gepensioneerden, met elkaar solidair zijn. Ze delen samen de risico’s die ze individueel lopen. Dan is het ook logisch dat je gezamenlijk de overstap naar het nieuwe stelsel maakt en daar samen de risico’s deelt.

Een keuze om níet in te varen leidt tot onbetaalbaar hoge kosten voor het beheer van de niet ingevaren pensioenen, omdat er steeds minder pensioenaanspraken en pensioenen in het ‘oude’ fonds staan. De IT-systemen moeten wel op orde blijven en dat kost geld. De vaste kosten moeten dus door steeds minder pensioendeelnemers worden opgebracht en de kosten per deelnemer lopen daarmee dan hard op. Bovendien blijven pensioenen en pensioenaanspraken die niet worden ingevaren onder de huidige strenge rekenregels (en dus de rekenrente) vallen, waardoor deze veel later of niet kunnen worden geïndexeerd.

Op termijn is het huidige beleggingsbeleid voor pensioenen en pensioenaanspraken die niet zijn ingevaren niet vol te houden. Die groep wordt langzaam aan steeds ouder waardoor niet langer optimaal belegd kan worden en het rendement lager zal zijn. Daardoor verslechteren de kansen op verhogingen (indexatie) van het pensioen. Een keuze om niet in te varen heeft grote (nadelige) gevolgen voor de pensioendeelnemers. Mensen moeten worden beschermd door die keuze niet te bieden. Dat klinkt paternalistisch, maar is wel nodig.

Er zijn juristen die vinden dat het invaren in strijd is met het Europees eigendomsrecht. Er zijn ook juristen die dat niet vinden. Het kabinet en de sociale partners zijn na raadpleging van diverse deskundige juristen tot de conclusie gekomen dat er geen juridische beperkingen zijn tegen collectief invaren. De bescherming van het eigendomsrecht is niet absoluut. Dat wil zeggen dat er omstandigheden kunnen zijn waarin er een groter maatschappelijk belang is dan het individuele eigendomsrecht.

Je kan er ook op een andere manier naar kijken. Hoe ziet nu het “eigendomsrecht” van een gepensioneerde die 70 jaar is er uit? Als het mogelijk zou zijn het eigendom op te eisen hoe zou daar dan invulling aan worden gegeven? Dan zouden de toekomstige pensioenen worden verrekend aan de hand van de nu geldende rekenrente en levensverwachting. Het kapitaal dat daaruit voortvloeit wordt vervolgens uitgekeerd. Bij invaren wordt het kapitaal (lees: het te vormen persoonlijk pensioenvermogen) ook berekend. Het wordt vervolgens niet uitgekeerd maar belegd en vandaar uit worden de pensioenen uitbetaald. De kans dat het pensioen dat dan wordt uitbetaald kan worden verhoogd is groter in het nieuwe stelsel.

Ja, ook in het nieuwe stelsel is pensioen nog steeds levenslang. De manier waarop het pensioen wordt berekend verandert, maar het blijft een levenslang pensioen. Je hebt dus recht op een pensioen tot aan je overlijden, hoe oud je ook wordt. Dat kan omdat we ook in het nieuwe pensioenstelsel solidair blijven met elkaar en samen het “langleven risico” opvangen.

Dat gebeurde niet omdat de wettelijke regels het verbieden. De huidige wetgeving voor pensioenen richt zich sterk op het veiligstellen van het nominale pensioen. Dat is een pensioen zonder dat het geïndexeerd wordt. Om dat veilig te stellen, zijn er strenge regels opgenomen voor wanneer er geïndexeerd mag worden. Kortgezegd is een volledige indexatie pas mogelijk als het nominale pensioen geen enkel risico meer loopt. Dat wil zeggen dat de buffers van de pensioenfondsen goed gevuld moeten zijn. Daarbij komt dat de toekomstige pensioenverplichtingen worden gewaardeerd aan de hand van een risico rekenrente. Dat houdt in dat er berekend wordt hoeveel geld nu in de pensioenpot moet zitten om in de toekomst zeker de pensioenen te kunnen uitbetalen. De rente waarmee wordt gerekend, is afgeleid van de marktrente en is het rendement dat een pensioenfonds risicovrij kan maken. Die rente is al jarenlang extreem laag. Tegelijkertijd maken de pensioenfondsen in de praktijk rendementen op hun beleggingen die hoger zijn dan die lage rente.

Uiteindelijk is er zo een situatie ontstaan waar niemand blij van wordt. De vermogens van de pensioenfondsen zijn het afgelopen decennium ongelooflijk gegroeid. Maar, dat geldt door de lage rente, nog sterker voor de verplichtingen van de pensioenfondsen. Hierdoor hebben veel fondsen een lage dekkingsgraad. Bij een lage dekkingsgraad mag er niet geïndexeerd worden.

Overigens is een deel van de groei van het vermogen eveneens te danken aan de sterk gedaalde rente. Er is veel discussie of de verplichtingen wel aan de hand van die lage rente moeten worden berekend. De FNV kan niet anders dan concluderen dat die discussie de afgelopen 13 jaar tot niets heeft geleid. Met het sluiten van het Pensioenakkoord is de noodzaak van het voeren van de discussie over de rekenrente komen te vervallen. De FNV heeft met het pensioenakkoord ervoor gekozen om weg te komen uit de huidige onwenselijke situatie.

Alle generaties hebben wat te winnen bij het nieuwe pensioenstelsel. Op de eerste plaats wordt de bestaande spanning tussen de generaties opgeheven. Door persoonlijke pensioenvermogens wordt de (onterechte) zorg bij jongeren dat de senioren van nu de pensioenfondsen leeghalen, weggenomen. Ze kunnen namelijk zien hoe rendementen bijdragen aan hun eigen pensioenopbouw. Gepensioneerden krijgen eindelijk weer uitzicht op het verhogen van hun pensioen. Dat kan omdat het rendement dat hun pensioenfonds behaalt niet meer in de buffer wordt gestopt maar aan alle deelnemers van het fonds wordt uitgedeeld. Er komt geen geld bij, maar er komt wel geld vrij.

Er wordt in het nieuwe solidaire contract gewerkt met van tevoren vastgelegde verdeelregels. In die verdeelregels wordt vastgelegd hoe de mee- en tegenvallers over de generaties in het fonds worden verdeeld. Het spreekt voor zich dat het eerlijke en evenwichtige verdeelregels moeten zijn. Van die regels kan niet worden afgeweken. Door die verdeelregels transparant te maken kan iedereen zien dat er sprake is van een eerlijke verdeling. Hoe die verdeling er uit ziet, wordt mede bepaald door de risicohouding van de deelnemers van het fonds. Meer risico leidt tot een hoger rendement en tot grotere schommelingen. In de praktijk zal het betekenen dat voor de jongeren in het fonds meer risico wordt genomen dan voor gepensioneerden. Op die manier wordt voorkomen dat het pensioen van de gepensioneerden te veel schommelt. Jongeren kunnen schommelingen in hun pensioenvermogen goed hebben omdat het nog lang duurt voor dat daar uit een pensioen moet worden betaald. Dus waar pensioenfondsen nu één beleggingsbeleid hebben waarbij de risico’s en rendementen voor alle deelnemers hetzelfde zijn, kan straks meer gestuurd worden op het specifiek toedelen van risico’s en rendement voor elke leeftijdsgroep. Het doel is uiteindelijk een pensioenvermogen dat een zo hoog mogelijk pensioen oplevert dat kan meegroeien met de beleggingsresultaten.

Pensioen is een onderdeel van het arbeidsvoorwaardepakket dat werkgevers en werknemers overeenkomen. Op het moment dat je die arbeidsovereenkomst sluit, ga je akkoord met die arbeidsvoorwaarde. Dat geldt voor je salaris, het aantal vakantiedagen, de reiskostenvergoeding en dus ook voor de pensioenregeling die wordt afgesproken. Een onderdeel van die afspraak is waar de pensioenregeling wordt uitgevoerd. Dat is een groot voordeel omdat je zo de risico’s van de pensioen met zoveel mogelijk collega’s in de sector of jouw bedrijf deelt. Dat delen van die risico’s kan alleen als je met z’n allen in hetzelfde collectief zit, als dus iedereen meedoet. Dat kan zijn bij een pensioenfonds of bij een verzekeraar. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat als jij bijvoorbeeld komt te overlijden, je nabestaanden uit het collectief een nabestaandenpensioen krijgen, zelfs als je dan nog maar weinig premie hebt betaald of als je zelf tot een risicogroep behoort. Ook als je al ziek bent of bent geweest blijf je gewoon verzekerd. Daarnaast kan je in een pensioenfonds ook de beleggingsrisico’s delen. Daardoor kan je gezamenlijk meer risico’s aan en dat resulteert in een hoger pensioen.

Mede dankzij de inzet van de FNV zijn sinds 1 juli 2022 de regels om te kunnen indexeren versoepeld. Tegelijkertijd is de rente gestegen en dat geeft veel fondsen de mogelijkheid om nog in 2022 de pensioenen en de opgebouwde aanspraken te verhogen. Ieder fonds neemt een besluit tot het verhogen van de pensioenen op basis van z’n eigen situatie. Hoe goed staat het fonds er voor, wat is een evenwichtige afweging van alle belangen, kan de administratie wel of niet een terugwerkende kracht van het besluit verwerken? Het zijn allemaal vragen die ieder fonds apart moet beantwoorden. Het resultaat is dat per fonds er een ander besluit wordt genomen. De verhoging van de pensioenen is bij vrijwel alle fondsen nog gering. Dit terwijl de inflatie juist in 2022 extreem hoog is. De besluiten die de pensioenfondsen in de periode juli-augustus nemen, hebben betrekking op de periode 2020-2021. Toen was de inflatie nog laag. 

Overigens zullen de pensioenfondsen aan het einde van 2022 een besluit moeten nemen over de verhoging van de pensioenen in 2023. Dan is de hoge inflatie die we nu voelen wel in beeld. Tegelijkertijd is het maar de vraag of pensioenfondsen er aan het einde van 2022 zo goed voor staan dat ze die inflatie voor een belangrijk deel kunnen opvangen. Dat zal door de meeste pensioenfondsen eind november begin december moeten worden besloten.

De belangrijkste verandering is dat het pensioen straks meer gaat meebewegen met de economie. In het nieuwe stelsel blijft de pensioenambitie van een koopkrachtig pensioen van 80% van het gemiddeld verdiende loon na 42 jaar werken overeind. Waar in het huidige stelsel die ambitie allang niet meer kan worden waargemaakt, is de verwachting dat dat in het nieuwe stelsel wel kan lukken. In het nieuwe stelsel wordt een premie afgesproken. In deze solidaire premieregeling wordt ook vastgelegd hoeveel pensioen hierbij kan worden bereikt. Dit is de pensioenambitie. Die premie is voor alle leeftijden gelijk. Die premie wordt belegd en jaarlijks zien de deelnemers met hoeveel hun aandeel in dat collectieve vermogen verandert. De verdeling van de rendementen gebeurt in het solidaire pensioencontract aan de hand van vooraf vastgelegde verdeelregels. In die verdeelregels wordt vastgelegd hoe de mee- en tegenvallers over de generaties in het fonds worden verdeeld. Het spreekt voor zich dat het eerlijke en evenwichtige verdeelregels moeten zijn. Van die regels kan niet worden afgeweken.

Door die verdeelregels transparant te maken kan iedereen zien dat er sprake is van een eerlijke verdeling. Hoe die verdeling er uit ziet, wordt mede bepaald door de risicohouding van de deelnemers van het fonds. In de praktijk zal het betekenen dat voor de jongeren in het fonds meer risico wordt genomen dan voor gepensioneerden. Op die manier wordt voorkomen dat het pensioen van de gepensioneerden, dat reeds uitbetaald wordt, teveel schommelt. Die merken dat namelijk direct in de portemonnee. Jonge werkenden kunnen schommelingen tijdens de opbouwfase van hun persoonlijk pensioenvermogen beter hebben omdat het nog lang duurt voor dat daaruit een pensioen moet worden betaald. En een hoger risico betekent doorgaans op de lange termijn een hoger rendement. Zo wordt ervoor gezorgd dat met slim beleggen een goed pensioen voor iedereen haalbaar is.

Jaarlijks krijgen de deelnemers te zien wat naar verwachting het pensioen zal zijn dat uit het voor hen gereserveerde pensioenvermogen kan worden uitbetaald. In de solidaire premieregeling wordt ten minste iedere vijf jaar opnieuw gekeken of de afgesproken pensioenambitie met de afgesproken premie kan worden gehaald. Is dat niet meer het geval dan zullen de sociale partners opnieuw met elkaar moeten overleggen. Of de premie gaat omhoog of de ambitie wordt naar beneden bijgesteld.

Het nabestaandenpensioen wordt in het nieuwe stelsel anders vormgegeven. Er komt een uniforme definitie van wie een partner is (dus wie er bij overlijden van de deelnemer recht heeft op een nabestaandenpensioen), waardoor niet elk pensioenfonds meer zijn eigen definitie van partner kan hanteren. Het nieuwe partnerbegrip wordt een ruim begrip. Gehuwden, geregistreerd partners en mensen die gedurende langere tijd een gezamenlijke huishouding voeren als samenwonenden, vallen onder het nieuwe partnerbegrip. Directe familie (broers, zussen, ouders) is daarvan natuurlijk uitgezonderd. In het nieuwe stelsel zal het nabestaandenpensioen van een werkende maximaal 50% van het salaris bedragen dat hij/zij op het moment van overlijden verdient. Dat is met name voor de lagere inkomens een vooruitgang. Als iemand die reeds een pensioen ontvangt overlijdt, is het nabestaandenpensioen een percentage (maximaal 70%) van dat ouderdomspensioen. Het nabestaandenpensioen na ingang van pensioen verandert dus niet.

Voor wezen jonger dan 21 jaar bedraagt het nabestaandenpensioen maximaal 20% van het salaris dat de overleden ouder verdient op het moment van overlijden. Tot slot wordt het recht op een nabestaandenpensioen verlengd gedurende de tijd dat iemand een WW-uitkering ontvangt. Ook loopt het gedurende twee maanden na het einde van het dienstverband door om te voorkomen dat iemand direct risico loopt als de arbeidsovereenkomst is ontbonden.

Het is de bedoeling dat de nieuwe wet ingaat per 1 januari 2023. Vanaf dat moment kunnen pensioenfondsen dus overstappen naar het nieuwe stelsel. De verwachting is dat de eerste pensioenfondsen per 1 januari 2024 de overstap zullen maken. Het tijdpad zal per pensioenfonds verschillen. Sommige fondsen zullen vroeg willen overstappen, andere fondsen zullen dat wat later doen. Uiterlijk 1 januari 2027 moeten alle pensioenuitvoerders overgestapt zijn op het nieuwe pensioenstelsel.

Nee, daarvan is geen sprake. Hoewel de pensioenen meebewegen met de economie en er geen beloften meer worden gedaan, wordt het risico tussen generaties gedeeld en uitgesmeerd over meerdere jaren. Sociale partners kunnen straks een keuze maken uit twee soorten pensioenregelingen. De Flexibele pensioenregeling en de Solidaire pensioenregeling. De FNV is voorstander van een Solidaire pensioenregeling omdat die regeling het beste voldoet aan de uitgangspunten van de FNV voor een goed pensioen waarmee de beste pensioenresultaten kunnen worden behaald.

Nee, pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Met het tekenen van de arbeidsovereenkomst stem je ook in met de arbeidvoorwaarde pensioen en de daarmee samenhangende regeling. Dat pensioen is ondergebracht bij een pensioenfonds of een verzekeraar en je neemt deel aan de regeling die daar wordt uitgevoerd. De keuze voor een pensioenregeling wordt gemaakt door de sociale partners of door de werkgever, indien van toepassing in overleg met de Ondernemingsraad.

Dat hangt af van de pensioenregeling waaraan je deelneemt. De flexibele pensioenregeling biedt de mogelijkheid om zelf beleggingskeuzes te maken, bijv. door te kunnen kiezen uit drie verschillende ‘beleggingsprofielen’. Het is zelfs mogelijk om helemaal zelf je beleggingsportefeuille samen te stellen. Toch zullen veel pensioenuitvoerders die laatste mogelijkheid niet aanbieden omdat het een stevige zorgplicht met zich meebrengt. De pensioenuitvoerder is namelijk verplicht ervoor te waken dat de deelnemer niet de verkeerde beleggingskeuzes maakt.

Ook in het solidaire contract hebben de deelnemers invloed. Maar, dan is die invloed niet op individueel niveau. Net zoals dat nu het geval is, vragen fondsen uit bij deelnemers wat zij belangrijk vinden, qua risicoprofiel van de beleggingen en waarin wordt belegd bijvoorbeeld met het oog op tegengaan van klimaatverandering, het zogenaamde groen beleggen. Hierop wordt de beleggingsportefeuille dan aangepast.

Het pensioenfonds belegt het gezamenlijk vermogen voor de lange termijn, dat scheelt in kosten en risico, waarmee een hoger rendement behaald kan worden. Als deelnemers onaangekondigd delen van dat vermogen willen opnemen, missen alle andere deelnemers bovengenoemde voordelen. Er zit ook een beschermingsgedachte achter. Hoewel dat op individueel niveau kan verschillen, zijn mensen gemiddeld niet goed in staat om voor hun pensioen te sparen, omdat de boodschappen nú, belangrijker zijn dan de boodschappen in de verre toekomst. Mensen gaan er gemiddeld vanuit dat ze het geld dat ze nu opnemen, later wel weer zullen bij sparen zodat ze alsnog een goed pensioen hebben. Uit gedragswetenschappelijk onderzoek blijkt dat dit toch vaak niet gebeurt, omdat er ook dan weer uitgaven zijn die voor gaan op pensioen. Het resultaat is dat mensen dan écht en structureel pensioen tekortkomen. Dat blijkt ook uit de pensioenen van mensen in landen waar de pensioenregeling niet verplicht is.

Overigens is het vanaf 2023 wel mogelijk om als je met pensioen gaat éénmalig een bedrag ter waarde van maximaal 10% van je ouderdomspensioen in één keer op te nemen. In die situatie is iedereen goed in staat om de gevolgen van die uitkering in één keer goed te kunnen zien. Overigens is het ook dan nog goed opletten. Een eenmalige hoog bedrag lijkt wellicht voordelig maar dit heeft invloed op de belasting die moet worden betaald en op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslagen. Het is goed mogelijk dat van het brutobedrag er netto veel minder over blijft. Het levenslange pensioen wordt in dat geval ook lager. Dus op latere leeftijd blijft er minder over. Het is dus een kwestie van goed uitzoeken en nadenken of dat handig is om te doen of niet.

De huidige wet heeft als uitgangspunt dat het pensioen dat wordt afgesproken zeker kan worden uitgekeerd. Daarom moeten pensioenfondsen rekenen alsof ze zonder risico beleggen en dat kan alleen als je rekent met de risicovrije rente. Het woord zegt het al, dat is de rente die pensioenfondsen zeker kunnen krijgen. Die staat momenteel heel laag.

Pensioenfondsen beleggen de premies die ze ontvangen. Beleggen is per definitie onzeker. In werkelijkheid zijn de rendementen natuurlijk veel hoger dan de huidige risicovrije rente. In de toekomst waarschijnlijk ook. Vanwege de wettelijke voorschriften, mogen pensioenfondsen daar nu niet mee rekenen. In het nieuwe pensioenstelsel mag dat wel. Maar dan gaat het pensioen ook meebewegen met die behaalde rendementen.

Pensioen is niet goedkoop. Over een deel van het salaris wordt een flink percentage pensioenpremie betaald. Hoeveel dat is verschilt per sector. Wordt er te weinig ingelegd, dan kan dat betekenen dat er te weinig pensioen wordt opgebouwd. In veel cao's is afgesproken dat de werkgever twee derde deel van de premielasten voor z'n rekening neemt. Andere verdelingen komen ook voor. Overigens, wordt over het eerste deel van het salaris geen pensioenpremie betaald. Dat noemt men de AOWfranchise. Voor dat deel van het salaris wordt straks voorzien door AOW-uitkering. Iedere Nederlander ontvangt een AOW-uitkering, tenzij iemand lang in het buiteland heeft gewoond. De AOW-franchise betekent ook, dat als je minder verdient, je ook over een kleiner deel van je salaris pensioenpremie betaalt.

De premie die is afgedragen, wordt belegd. Daardoor bestaat uiteindelijk maar ongeveer één derde deel van het pensioen uit premie. Twee derde van je pensioen heeft het pensioenfonds gerealiseerd door rendement te behalen op de betaalde premie. De pensioendeelnemer krijgt dus nog steeds een pensioen dat met sparen lang niet kan worden behaald.

Veel pensioenfondsen bieden ook nabestaandenpensioen. Ook daarvoor wordt premie betaald. Hoewel er verschil kan zijn tussen pensioenfondsen, betekent dit dat er meestal direct dekking is voor de nabestaanden. Ook iemand die dus pas nét begonnen is met werken en komt te overlijden, laat nabestaanden goed verzorgd achter omdat het pensioenfonds dan een uitkering doet toekomen aan de nabestaanden. Pensioen is dus niet alleen een uitkering voor later, maar ook een soort verzekering voor nu! Ook ben je ervan verzekerd dat je pensioenopbouw doorloopt als je arbeidsongeschikt wordt, door ziekte of een (bedrijfs-)ongeval. Jij en je werkgever hoeven daarvoor niet langer premie af te dragen, omdat in de huidige premie een kleine opslag zit om dat risico op arbeidsongeschiktheid te verzekeren. Niet voor niets wordt het Nederlandse pensioenstelsel elk jaar weer als een van de allerbeste stelsels van de wereld aangemerkt.

In het nieuwe stelsel blijft het geld dat voor jou bij elkaar is gespaard voor jou. Er gaat dus geen vermogen van jou verloren. Omdat we het rendement op dat vermogen niet meer in de buffer hoeven te stoppen, verwachten we dat jouw pensioen in de toekomst kan worden verhoogd. De keerzijde is dat het pensioen soms ook kan worden verlaagd. Alles bij elkaar verwachten we een stabiel pensioen dat met regelmaat wordt verhoogd en af en toe wordt verlaagd. Dat is anders dan in het huidige stelsel. In de huidige situatie hebben veel gepensioneerden een pensioen dat niet wordt geïndexeerd en kan worden verlaagd als de dekkingsgraad te lang onder de 105% blijft.

Er is geen enkele groep die er het slechtste of beste vanaf komt. In het nieuwe pensioenstelsel komt er een stabiel pensioen dat meebeweegt met de economie. De rendementen hoeven niet meer eerst naar hoge buffers. Dat heeft effect op alle generaties. Bij het invaren zijn sociale partners en besturen van pensioenfondsen gehouden om met alle belangen op een evenwichtige wijze rekening.

In het wetsvoorstel is voorgeschreven welke methodes moeten worden gehanteerd voor het omrekenen van de pensioen en pensioenaanspraken naar persoonlijke pensioenvermogens. De enige twee toegestane methodes hebben als eis dat alle generaties op een gelijke manier worden behandeld. Daarnaast geldt als eis dat bij het hele invaarproces alle belangen op een evenwichtige wijze worden afgewogen. Dat wordt beoordeeld door sociale partners, het bestuur van het pensioenfonds, de raad van toezicht en het verantwoordingsorgaan. Tot slot is er nog De Nederlandsche Bank die als toezichthouder eveneens op de naleving van alle voorschriften toeziet.

Het is niet mogelijk om onderbouwde uitspraken te doen over welke generatie te veel of te weinig heeft betaald. De snel gestegen levensverwachting is slechts één aspect. De laatste jaren ligt de premiedekkingsgraad bij veel fondsen onder de 100%. Dat betekent dat de werkenden te weinig premie betalen voor de pensioenaanspraak die ze krijgen bijgeschreven. Er zijn generaties die hebben geprofiteerd van de hoge rendementen op de beurzen en er zijn generaties die hebben geprofiteerd van periodes dat er helemaal geen premie werd afgedragen en er zijn generaties die de premies hebben zien stijgen. Het kenmerk van de risicodeling bij pensioenfondsen is dat we samen de mee- en tegenvallers opvangen.

Sociale partners en pensioenfondsen beslissen over hoe het afschaffen van de doorsneepremie zal worden gecompenseerd. Dit kan uit de premies en uit de vermogens van de fondsen. Ook hier geldt dat bij de besluitvorming een evenwichtige afweging van alle belangen voorop dient te staan.

De onderhandelaars over de nieuwe pensioenovereenkomst en het invaren zullen zoals te doen gebruikelijk bij het arbeidsvoorwaardenoverleg de inzet en de uitkomst voorleggen aan de FNVleden. Omdat het hier om pensioenafspraken gaat die actieve én gepensioneerden aangaat zal de raadpleging per fonds gezamenlijk met beide groepen plaatsvinden.

Word lid en sta sterker in je (werk)schoenen

  • Invloed op je arbeidsvoorwaarden
  • Een goede cao voor jouw sector
  • Altijd hulp bij een toekomstig arbeidsconflict
  • Persoonlijk advies over werk en loopbaan
  • Hulp bij letselschade en beroepsziekte
  • Korting met je ledenpas