De geschiedenis van de overlegeconomie

De overlegeconomie, ook wel aangeduid als het poldermodel, wordt als een kenmerkend onderdeel gezien van hoe de zaken in Nederland geregeld zijn. In plaats van flink ruzie met elkaar te maken hebben de organisaties van werkgevers en werknemers, ook wel de sociale partners genoemd, er een gewoonte van gemaakt constructief met elkaar te overleggen.

SER-gebouw in Den Haag

In de overlegeconomie wordt gezocht naar punten van overeenstemming, en naar gemeenschappelijke belangen. Waar mogelijk trekken werkgevers en werknemers gezamenlijk op richting overheid. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat werkgevers en werknemers het altijd met elkaar eens zijn, of dat er geen belangenstegenstellingen zouden zijn. Het effect is bijvoorbeeld wel dat er in Nederland veel minder gestaakt wordt dan in de omringende landen.

Constructief overleg

Wat op landelijk niveau geldt, bijvoorbeeld voor het overleg in de Sociaal Economische Raad (SER), geldt ook op decentraal niveau, waar de bonden met werkgevers onderhandelen over de cao’s. Ook daar staan constructief overleg en het streven naar een bevredigend resultaat voor beide partijen voorop. Vergeleken met bijvoorbeeld Duitsland zijn de looneisen in ons land meestal heel gematigd, waardoor de uitkomst niet te veel verschilt van de eis. In Duitsland wordt vaak begonnen met een onmogelijk hoge looneis, waarna na fikse ruzies de uitkomst vaak zelfs lager is dan die bij ons.

De overlegeconomie functioneert nog steeds volop, maar het landschap ziet er wel fors anders uit dan een aantal jaren geleden het geval was. Daarom eerst even een stukje geschiedenis.

Ontwikkelingen in de overlegeconomie

Als startpunt van de overlegeconomie wordt vaak de Tweede Wereldoorlog genoemd. Ook daarvoor bestond in Nederland al een cultuur van overleg in plaats van polarisatie tussen de sociale partners, maar in 1950 werd dit geformaliseerd in de zogenaamde Publiekrechtelijke Bedrijfsordening, de wet PBO.

Drie partijen

Allerlei instituten werden opgericht waarin de overheid samen met de sociale partners verantwoordelijkheid nam voor de gezondheidszorg, de sociale zekerheid, etc. Er kwam een Ziekenfondsraad, een Sociale Verzekeringsraad, de Bedrijfsverenigingen werden opgericht, de Raden van Arbeid, Kamers van Koophandel, Arbeidsbureaus en ga zo maar door.

Het overheersende model van aansturing van allerlei publieke diensten werd er een van drie partijen: overheid, werknemers en werkgevers. Daarom wordt het ook wel het tripartiete model genoemd.

Heel lang was het een onomstreden model, waar alle partijen de voordelen van zagen. Maar van tijd tot tijd was er ook kritiek. Dan werd ‘te veel polderen’ als tijdverlies gezien en als een vorm van stroperigheid in de besluitvorming. Juist op dat soort momenten had ‘de polder’ in het verleden de gewoonte om een sterke come-back te maken. Dat gold bijvoorbeeld voor het Akkoord van Wassenaar in 1983, maar ook voor een aantal spraakmakende adviezen van de SER eind jaren ’90 en kort daarna.

Omslag

Een grote omslag in de werking van de overlegeconomie vond plaats in de tweede helft van de jaren ’90. De aanleiding daarvoor was de felle politieke discussie over de grote stijging van het aantal arbeidsongeschikten in de toenmalige WAO. Besloten werd daar een parlementaire enquête over te organiseren. Deze werd gehouden in 1993, door een commissie onder aanvoering van PvdA-politicus Buurmeijer.

Kort samengevat was de conclusie van de commissie dat dé oorzaak van het WAO-probleem bij de rol van de sociale partners zat. Die waren niet alleen verantwoordelijk voor het beleid (in de bedrijfsverenigingen en de Gemeenschappelijke Medische Dienst), maar ook voor de uitvoering (individuele gevalsbehandeling in de kleine commissies van de bedrijfsverenigingen) en bovendien voor het toezicht op die uitvoering (via de Sociale Verzekeringsraad).

Primaat van de politiek

Vervolgens werd niet besloten om die vermenging van taken aan te pakken, maar de politiek greep een en ander aan om de sociale partners definitief uit allerlei besturen te verwijderen. Niet alleen in de sociale zekerheid, maar ook in de gezondheidszorg, op de arbeidsmarkt, etc. ‘Het primaat van de politiek’ moest hersteld worden, was het motto.

Het uiteindelijke resultaat was dat van de vele instituten uit de oorspronkelijke PBO alleen de SER en de Stichting van de Arbeid overbleven, plus een nieuw overlegorgaan, de Raad voor Werk en Inkomen, waar de sociale partners samen met de gemeenten invulling geven aan het arbeidsmarktbeleid. De SER en de Stichting vormen nog steeds de kern van het overlegmodel.

De toekomst van de overlegeconomie

De overlegeconomie heeft al heel wat stormen doorstaan, maar bewijst toch iedere keer zijn waarde. Al ruim 65 jaar. Of dat zo zal blijven is moeilijk te voorspellen. Vaak wordt gewezen op het teruglopende percentage van de werkende beroepsbevolking dat lid is van een vakbond, de organisatiegraad. Bovendien zou de vakbond bepaalde groepen niet goed vertegenwoordigen. De representativiteit staat ter discussie.

Het klopt dat het vroeger vanzelfsprekender was dat je lid van de bond werd als je ging werken. De organisatiegraad is van 43 procent in 1960 gedaald naar rond de 25 procent nu. Maar dat neemt niet weg dat de FNV-bonden 1,4 miljoen leden hebben (inclusief ouderenbond ANBO), waarmee de FNV na de ANWB de grootste lidorganisatie van het land is.

Met de andere 2 vakcentrales erbij opgeteld zijn 2 miljoen mensen lid van een bond. De zelfstandigenbonden binnen de FNV groeien het hardst van allemaal, dus ook deze nieuwe groep werkenden wordt bereikt.

Belangrijk om mee te wegen, is het gegeven dat het in Nederland voor je rechten als werkende niet echt uitmaakt of je lid bent of niet. In sommige landen krijgen vakbondsleden bijvoorbeeld hogere uitkeringen bij werkloosheid, of gelden collectieve afspraken alleen voor vakbondsleden of voor bedrijven waar de vakbond actief is.

Solidariteit groot goed

In Nederland organiseren we alles het liefst zo breed mogelijk. Solidariteit is hier een groot goed. Dat komt bijvoorbeeld sterk tot uitdrukking bij het cao-overleg. Collectieve arbeidsovereenkomsten worden afgesloten tussen vakbonden en vertegenwoordigers van de werkgevers in een bepaalde sector. Vervolgens verklaart de regering deze ‘algemeen verbindend’ voor de hele sector, dus voor alle werknemers en voor alle werkgevers.

Enquêtes laten zien dat er nog altijd brede steun is voor dit model. Niet iedereen vindt het zo belangrijk dat hij of zij er iedere maand contributie voor wil betalen, maar de steun onder de bevolking voor deze en andere rollen van de vakbeweging is onveranderd groot. Zo lang dat zo blijft, heeft de overlegeconomie zeker toekomst.